Indische gezinnen en opvoeding
In ’Ver van familie’ zijn er vaak en veel kinderen te zien. Ze zijn getuigen van wat er gebeurt, kijken door de kieren van de deur, zitten achterin de auto terwijl hun ouders praten of ruzie maken. Grote ogen die alles in zich opnemen. Ze zijn getuigen van de kleine en grote drama’s in de familie, horen soms maar de helft van de verhalen waardoor ze de rest erbij moeten fantaseren en slaan het allemaal op in de herinnering. De bron waaraan ze hun geluk en angsten hun hele leven af zullen meten. Het vormt ze. De familie is de schoot waarin ze gevormd worden. Dat geldt voor veel migrantenfamilies en ook voor Indische families.
In de Indische gemeenschap uit de koloniale tijd gold de ‘Europese opvoeding’ als het hoogste ideaal. Dat betekende dat je je niet als een achterlijk lid van de plaatselijke bevolking gedroeg. Niet op blote voeten lopen, want Europese kinderen droegen schoenen. Je ging naar een zwembad en zwom niet in de kali. Geen kampoengmuziek, want Europese kinderen kregen pianoles en leerden Chopin spelen. En petjoh mocht je niet praten, want dan was het of je niet behoorlijk Nederlands kon. Dat was niet vreemd, want het voormalig Nederlands-Indië was een rangen- en standensamenleving en de plaats daarin was sterk gebonden aan je huidskleur. Het ging ook zo ver dat als de Nederlandse vader overleed, de Soendaneze of Javaanse moeder van zijn kinderen de kinderen niet bij zich kon houden. Ze moesten naar een tehuis, want de moeders waren immers niet in staat hun Indo kinderen een Europese opvoeding te geven.
Van jongs af aan werd aan Indische kinderen geleerd dat ze zich dubbel moesten bewijzen. Omdat ze niet echt wit waren moesten ze beter zijn dan de totoks, de volbloed Nederlanders, als ze een vergelijkbare baan wilden. In Nederland telden die koloniale omstandigheden nauwelijks, maar Indische ouders wisten dat nog niet toen ze hier kwamen. Ze zorgden dat hun kinderen beter Nederlands spraken dan de andere kinderen in de omgeving. En als een Hollands kind een zeven haalde moesten zij een negen verdienen, anders zouden ze het niet redden. Veel van die kinderen werden door anderen strebers gevonden en als ze keurig Nederlands spraken zeiden Indo’s die zich daar niet al te druk over maakten dat ze ‘anstiel’ waren.
Omdat mensen binnen de Indische gemeenschap vaak met elkaar trouwden kenden ze allemaal die normen. Trouwde je met een totok, dan trouwde je ‘omhoog’ en werd je hele leven anders. Trouwde je met iemand van de locale bevolking dan werd dat beschouwd als een grote stap terug. Pas na de oorlog waren er ook steeds vaker huwelijken tussen volbloed Indonesische mannen en blanke vrouwen. Kinderen in zulke gezinnen werden dan vrijwel altijd Hollands opgevoed. Zo zelfs dat ze met andere Indische kinderen niets deelden. Was er een Indische moeder, dan was de opvoeding veel Indischer.
Vanuit het land van hun ouders werden ook ideeën over beschaafd gedrag (halus of verfijnd) en onbeschoft gedrag (kasar of grof) meegebracht. Die verfijning lag niet in wat je zei, maar in hoe je je gedroeg. Het drie keer weigeren van een lekkernij, het niet voordringen, niet te luid praten, kortom het was gedrag dat in de Nederlandse samenleving wel als anders, maar niet als verfijnd herkend werd en waarmee je het ook nooit zou redden. Alle Indische kinderen van de tweede generatie kunnen vertellen over de misverstanden die daaruit voortkwamen. Het verdween geleidelijk, vooral toen tweede generatie migranten hun ouders ermee confronteerden.
Opvoeding gebeurt vooral door imitatie. Je kunt kinderen tien keer vertellen wat ze moeten doen, maar zo werkt het niet. Ouders gedragen zich op een bepaalde wijze en de kinderen die zich met hun vader en moeder identificeren gaan dat imiteren. Zo is de liefde voor het koken, de verschillende gerechten, de kleurrijkheid van wat gegeten wordt, hoe het aan moet voelen in je mond – de klepon die open knapt als je erop bijt en je de zoete gula djawa schenkt, de kwee lapis die drilt tussen je lippen - de danspartijtjes, de manier waarop je je kleedt en vrouw voelt, bij veel Indischen van de tweede en zelfs de derde generatie terechtgekomen.
Opvoeden gebeurt door zien, zien, zien. In ‘Ver van familie’ zijn kinderen getuige van alles. Ze krijgen de bagage mee van de koloniale tijd en de aanpassing, maar ook de vreugde dat je een grote familie hebt waar je altijd terecht kunt. Gelukkig hoeven Indische kinderen nooit vroeg naar bed als de familie er is en gelukkig worden verjaardagen niet apart gevierd, zoals bij Nederlandse gezinnen nog wel eens gebeurt, één voor de oudjes, één voor de vrienden en één voor de kinderen. Ook als kind hoor je erbij.